De rechtbank in Den Haag oordeelde op 28 januari 2026 in de zaak aangespannen door Greenpeace en lokale eisers dat de Nederlandse staat onvoldoende heeft gedaan om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Ook zijn ze achtergesteld ten opzichte van inwoners van het Europese deel van Nederland. De rechtbank erkent in het vonnis dat de mensenrechten van de eilandbewoners zijn geschonden, inclusief het mensenrecht om niet gediscrimineerd te worden. Ook benadrukte de rechtbank dat klimaatverandering niet alleen mensenlevens aantast, maar ook belangrijk cultureel erfgoed, zoals de ‘slavenhutjes’ op Bonaire.
| In het kort: De Bonaire-uitspraak is van belang voor een verbod op fossiele reclame omdat: A. de rechtbank bevestigt dat de staat een plicht heeft om de uitstoot van emissies naar beneden te brengen en Nederland daarbij een voortrekkersrol heeft; B. de staat volgens internationale afspraken een plicht heeft om bij de berekening van emissies ook de lucht- en scheepvaart mee te nemen, en; C. in aanvulling op andere gerechtelijke uitspraken er een verplichting rust op de staat om maatregelen te nemen gericht op het verminderen van de fossiele consumptie. Door fossiele reclame te verbieden, zou de regering een bijdrage leveren aan het nakomen van deze verplichtingen. |
Klimaatbeleid
Het vonnis heeft grote consequenties voor het huidige Nederlandse klimaatbeleid. De rechtbank wees op onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (p. 6) waaruit blijkt dat de kans om het streefdoel van 55 procent uitstootvermindering in vergelijking met 1990 uit de huidige Klimaatwet voor 2030 te halen, minder dan 5 procent is. Bovendien is dat doel volgens de rechtbank niet ambitieus en niet duidelijk genoeg. Het streefdoel moet:
- bindende tussendoelen krijgen;
- de uitstoot van alle broeikasgassen in 2030 verminderen tot minstens 43% ten opzichte van het niveau van 2019 (en niet 1990 zoals Nederland en Europa hebben opgenomen in de wet), en tot netto nul in 2050;
- de lucht- en scheepvaart meenemen;
- de resterende emissieruimte voor Nederland inzichtelijk maken.
Verhouding tot andere klimaatzaken
Al eerder in 2019 oordeelde de rechtbank in de Urgenda-zaak dat Nederland meer moest doen om burgers te beschermen door minder CO2 uit te stoten, alsook dat Nederland zijn eigen fair share aan inspanningen moet leveren om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. Dat andere landen zich niet aan hun verplichtingen houden, is geen excuus voor Nederland om maatregelen achterwege te laten (drop in the ocean-argument).
In de Bonaire-zaak werd een beroep gedaan op dezelfde principes, maar uniek aan deze zaak was dat die focuste op bescherming tegen klimaatverandering in plaats van een nadruk op uitstootvermindering. Een groot deel van de zaak berust dan ook op artikel 8 EVRM: Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven. Al eerder werd in de zaak KlimaSeniorinnen in 2024 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaald dat staten onder artikel 8 EVRM een zorgplicht hebben om burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Ook het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (IGH) adviseerde in 2025 dat staten hun burgers moeten beschermen door klimaatverandering tegen te gaan en dat nalaten van passende maatregelen (para. 427), bijvoorbeeld door “de productie van fossiele brandstoffen, het consumeren van fossiele brandstoffen, het verlenen van vergunningen voor de exploratie van fossiele brandstoffen of het verstrekken van subsidies voor fossiele brandstoffen”, een onrechtmatige daad kan vormen die aan de staat kan worden toegerekend.
De rechtbank zegt niet voor niets in de Bonaire-zaak (10.8.4):
“Om de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer te beperken moeten economieën en levenswijzen worden aangepast. Dit kan alleen worden bereikt door een alomvattende en diepgaande transformatie van diverse sectoren in samenlevingen wereldwijd. Een transformatie van die orde vereist zeer complexe en veelomvattende reeksen gecoördineerde acties, beleidsmaatregelen en investeringen – zowel in de publieke als in de private sector.”
Verschil in meewegen fossiele emissiebronnen
In het vonnis komt een ander belangrijk punt ter sprake over de berekening van emissiebronnen (11.13.3). Met name de discrepantie tussen wat is opgenomen in de Nederlandse en Europese doelstellingen en wat is opgenomen in artikel 3 lid 3 van het VN-Klimaatverdrag (UNFCCC) is relevant. In de VN-norm is bijvoorbeeld ook de uitstoot van lucht- en zeevaart meegenomen. Het Nederlandse aandeel in die uitstoot is aanzienlijk door de aanwezigheid van internationaal belangrijke knooppunten zoals Schiphol en de Rotterdamse haven. Echter wordt de uitstoot uit deze bronnen in de Nederlandse doelstellingen niet of niet helemaal meegewogen. In de Europese doelstellingen wordt de uitstoot uit de lucht- en zeevaart slechts gedeeltelijk meegenomen.
Het verschil in meewegen van emissiebronnen staat op gespannen voet met artikel 3 lid 3 van het VN-Klimaatverdrag, dat bepaalt dat klimaatbeleid en klimaatmaatregelen betrekking moeten hebben op “alle economische sectoren” en de aanpassing van “alle relevante bronnen, putten en reservoirs van broeikasgassen”. Artikel 4 lid 1 van het Parijsakkoord moet dus zo uitgelegd worden dat de emissiereductiedoelen gelden voor gehele economie en ook zo moeten worden opgenomen in nationale regelgeving. Door dat niet te doen, maakt Nederland het ingewikkeld voor de rechtbank en burgers om te controleren of zij zich houdt aan de internationale klimaatafspraken.
Bindende emissiereductiedoelen voor de gehele economie
Het feit dat Nederland tekortkomt in de uitwerking van het VN-klimaatverdrag, leidt niet direct tot de schending van een positieve verplichting onder artikel 8 EVRM. De rechtbank benadrukt dat volgens de VN-normen, bepaalde VN-lidstaten — zoals Nederland — extra inspanningen moeten leveren (voortrekkersrol) dan het minimum dat voor de gemiddelde en minder ontwikkelde lidstaten geldt, maar dat ze wel een ruime beleidsvrijheid hebben bij de keuze van de extra inspanningen die zij moeten leveren (11.13.4). Echter kan de rechtbank wel meewegen dat een lidstaat bij de invulling van haar beleidsruimte op belangrijke punten kiest voor uitgangspunten of methoden die weliswaar niet verboden zijn, maar internationaal wel controversieel. De rechtbank verwijst daarbij als voorbeeld naar “grandfathering” (11.13.5): het door ontwikkelde landen in te beperkte mate rekening houden met de eigen uitstoot uit het verleden, bijvoorbeeld door zichzelf een verhoudingsgewijs te groot deel van het nog resterende mondiale emissiebudget toe te eigenen.
De rechtbank constateert dat de Nederlandse regelgeving op het gebied van mitigatie op belangrijke punten in het verleden niet heeft voldaan aan de VN-minimumnormen en dat ook de huidige regelgeving op dit moment op belangrijke punten niet voldoet. Samen met het feit dat er eveneens niet tijdig adaptatiemaatregelen zijn genomen, constateert de rechtbank dat er een schending is van artikel 8 EVRM. Om deze reden beveelt de rechtbank de Nederlandse staat om bindende emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, waaronder dus ook doelen voor de lucht- en scheepvaart.
Wat betekenen deze klimaatzaken voor fossiele consumptie?
De Bonaire-uitspraak normaliseert dat bescherming tegen klimaatverandering geen vrijblijvende ambitie is, maar een afdwingbare zorgplicht waarbij oog moet zijn voor kwetsbare groepen. In die zin bouwt het voort op eerdere rechtspraak, zoals Urgenda en KlimaSeniorinnen. Daarnaast bewijst de Bonaire-zaak dat de huidige Nederlandse klimaatwetten onvoldoende zijn. Zo worden luchtvaart en zeevaart niet meegenomen in de Nederlandse emissieberekeningen en hanteert Nederland een ander meetjaar waardoor de emissieruimte gunstiger uitvalt. In die zin komt een groot deel van de Bonaire-uitspraak neer op een discrepantie over hoeveel ruimte er daadwerkelijk is voor fossiele consumptie door Nederland. Als luchtvaart en scheepvaart daar niet onder worden meegenomen, blijft een belangrijk deel van de uitstoot van fossiele brandstoffen immers ongezien.
De wereld bereikt momenteel de door het IGH en EHRM opgestelde grens van 1,5 graad. Nu het resterende emissiebudget opraakt, zou de beleidsruimte die Staten met een voortrekkersrol hebben om zelf maatregelen te kiezen, logischerwijs kleiner worden. Zoals het IGH in 2025 adviseerde, valt ook het nalaten van een staat om adequate maatregelen te nemen tegen fossiele consumptie, de staat aan te rekenen als een onrechtmatige daad onder het internationaal recht. Staten met een voortrekkersrol moeten daarom alles doen om ervoor te zorgen dat de overshoot van het emissiebudget zo beperkt mogelijk blijft. Gezien de uitspraken in deze klimaatzaken, zou Nederland dus niet alleen aan de slag moeten met het correct formuleren van bestaande internationaal klimaatdoelen in de Nederlandse wetgeving, maar ook maatregelen moeten treffen die de consumptie van fossiele brandstoffen omlaag brengen. Het verbod op fossiele reclame is een dergelijke maatregel die de normalisering van het gebruik van fossiele brandstoffen — waaronder vliegreizen en cruises (lees: luchtvaart en scheepvaart) — doorbreekt, andere klimaatmaatregelen versterkt en daarmee de consumptie van fossiele brandstoffen vermindert.
Lees daarover meer in onze factsheet.
Kortom: voor een verbod op fossiele reclame is de uitspraak van belang omdat a) de rechtbank bevestigt dat de staat een plicht heeft om de uitstoot van emissies naar beneden te brengen en Nederland een voortrekkersrol daarbij heeft, b) de staat volgens internationale afspraken een plicht heeft om bij de berekening van emissies ook de lucht- en scheepvaart mee te nemen, en c) in aanvulling op andere gerechtelijke uitspraken er een verplichting op de staat rust om maatregelen te nemen gericht op het verminderen van de fossiele consumptie. Door fossiele reclame te verbieden, zou de regering een bijdrage leveren aan het nakomen van deze verplichtingen.
Lees de hele uitspraak hier: uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1344


